Vreemd, dacht ik, dat ze nu net voor Genève kiest, ik zit al uren in Genève met Jean-Jacques.
podium
voor
literaire
essayistiek
Ivo Bonthuis - Wat de plumpudding wilde zeggen

Mijn vriendin ging op vakantie. Ik mocht mee. In een Fiat Panda reden we door Frankrijk. Ik las de Bekentenissen van Rousseau, om de één of andere reden had ik bedacht dat ik de Verlichtingsfilosofen moest lezen. Ken uw geschiedenis, zoiets. Voltaire lag op de achterbank.
Ik had met mijn vriendin afgesproken dat zij onderweg onze bestemmingen zou kiezen. We hadden zin om zonder plan wat rond te zwerven. Zij had een rijbewijs, ik niet. Dus vroeg ik niets, tot we al ver in Frankrijk waren. Ik schraapte mijn keel. ‘Waar gaan we heen?’
‘Genève,’ zei ze. Vreemd, dacht ik, dat ze nu net voor Genève kiest, ik zit al uren in Genève met Jean-Jacques. Mijn vriendin (ik zal haar voortaan Isa noemen, want zo heet ze) wilde langs het meer wandelen, en winkelen. Vanzelfsprekend had ik andere plannen. Ik wilde het geboortehuis van Rousseau bezoeken, en de andere plekjes uit zijn jeugd die hij in zijn memoires beschreef. Eén dag kreeg ik daar de kans voor. Daarna besloot Isa dat ze zo snel mogelijk naar een stad wilde die niets met Rousseau te maken had, en als het even kon ook niet met Voltaire. Ze reed naar Chambéry, Frankrijk.
Dit alles speelde zich meer dan vijf jaar geleden af. Tijd genoeg om een vrouw, zelfs Isa, te vergeten. Wat ik niet kan vergeten is het toeval, de coïncidenties tussen het lezen van de Bekentenissen en de reis die we maakten.
‘Geweldig,’ riep ik toen we uitstapten. ‘Hier kwam Rousseau om zijn grote liefde, Madame de Warrens, te bezoeken.’ Isa liep rood aan. Ze vroeg me met wie ik nu eigenlijk op vakantie was. Ook ik begon me dat af te vragen. Dit was wel erg toevallig. Zonder het te weten had ze de route gevolgd die de filosoof meer dan twee eeuwen daarvoor had afgelegd.Ik beloofde haar mijn onverdeelde aandacht. Het waren goede dagen, tot een vriend die ook met zijn vriendin in Frankrijk was mij belde. We spraken af een weekje gezamenlijk door te brengen. Hij gaf de route door: N zoveel, afslag, afslag, volg de bordjes.
We stopten voor de poort van de camping. Of ik vast uit wilde stappen om op de bel te drukken. Nadat ik drie passen had gezet bleef ik staan. Ongelovig staarde ik naar het blauwe straatbord boven de bel: “Rue de Jean-Jacques Rousseau”, las ik.
Die week ging het mis tussen Isa en mij. Of dat nog iets met Rousseau te maken had weet ik niet meer, en het doet er ook niet toe. Dit alles speelde zich meer dan vijf jaar geleden af. Tijd genoeg om een vrouw, zelfs Isa, te vergeten. Wat ik niet kan vergeten is het toeval, de coïncidenties tussen het lezen van de Bekentenissen en de reis die we maakten.
Omdat ik dat niet kan vergeten heb ik onlangs geprobeerd er een verhaal over te schrijven. Ik dacht goede ingrediënten te hebben; een liefdesgeschiedenis, een reis, een Fiat Panda die net als de relatie op het punt stond uit elkaar te vallen. Parallel aan die verhaallijn zou de geschiedenis van Rousseau worden verteld, toegespitst op zijn relaties met vrouwen. De twee geschiedenissen moesten elkaar raken in het toeval dat ik zojuist beschreven heb. Dat leek me wel wat. Maar het bleek moeilijk. De liefdesgeschiedenis en de reis bleken in het verhaal op geen enkele manier een zinvolle relatie met de Rousseau-lijn aan te gaan.
Goed, denkt de lezer, hij reist met zijn vriendinnetje naar Genève. Dat is leuk. Gekibbel in de auto. Prima. Maar waarom komt hij dan ineens met die Rousseau aanzetten? Beetje interessant doen soms?
In werkelijkheid leek het toeval geen toeval te kunnen zijn, de coïncidentie was zo ongelooflijk dat het wel zin móest hebben. Al had ik geen idee welke, en dat was precies wat me tijdens het schrijven van mijn verhaal opbrak. Ik wilde geen sprookje schrijven, het verhaal niet krampachtig een betekenis opleggen, geen Ontdekking van de hemel - achtige bovennatuurlijke hocuspocus verzinnen. En toch had ik om het verhaal te kunnen schrijven een zekere zin nodig. Een lezer moet kunnen begrijpen waarom het één uit het ander volgt, in welk verband de verschillende gebeurtenissen tot elkaar staan. ‘Echt gebeurd is geen excuus,’ zei Reve. Goed, denkt de lezer, hij reist met zijn vriendinnetje naar Genève. Dat is leuk. Gekibbel in de auto. Prima. Maar waarom komt hij dan ineens met die Rousseau aanzetten? Beetje interessant doen soms? Wat moet dat?
De lezer heeft gelijk. Maar laat het nou zo zijn dat de schrijver heel erg graag juist over dit soort coïncidenties wil schrijven. Over toeval dat zo onwaarschijnlijk is dat het geen toeval kan zijn. Zonder een spookverhaal te schrijven, of een fantastisch verhaal, of iets magisch-realistisch. Het gaat hier om een verschijnsel dat tot de werkelijkheid behoort. Natuurlijk geloven sommigen dat spoken ook tot de werkelijkheid behoren, maar zoals ik al zei, ik wil het bovennatuurlijke buiten beschouwing laten. Spoken dient men weg te redeneren. Het verschijnsel waarover ik het heb is volgens mij vrij alledaags.
Zie: met zo’n verhaal kun je niet aankomen. De lezer ziet een schrijver aan zijn tafel gniffelend een web van toevalligheden verzinnen. Daarmee is de fictieve droom verstoord. Aansteller, denkt de lezer.
Jung heeft het “synchroniciteit” genoemd. Zijn definitie van synchroniciteit is: ‘De gelijktijdigheid van een zekere psychische toestand met één of meer uiterlijke gebeurtenissen die zich voordoen als zinvolle parallellen van de dan bestaande subjectieve toestand.’ Stel dat een schrijver over een synchroniciteit wil schrijven. Hoe moet hij dat aanpakken?Een zomerdag, jaren voor de reis naar Frankrijk. Sinds een paar weken ben ik in de ban van Picasso. Ik bekijk zijn werk waar ik kan, ik lees biografieën. Aanvankelijk ben ik waarschijnlijk in hem geïnteresseerd geraakt omdat ik vond dat ik het werk van de Meesters van de twintigste eeuw moest kennen, zoiets, maar gaandeweg begint zijn werk me echt te raken. Natuurlijk helpen de verhalen over zijn meedogenloze omgang met vrouwen ook. Alles voor de kunst. Ik vind dat reuze inspirerend. Isa ken ik nog niet.
Met een boek over Picasso onder mijn arm loop ik over de Oude Gracht in Utrecht. Ik zoek een plekje om wat te drinken en te lezen. Ik leun over een hekje, kijk naar de werfkelders beneden. Een deur gaat open. Een donkere man loopt naar de waterkant, slaat zich voor het hoofd en roept: ‘Picasso!’ Dan loopt hij weer naar binnen. Ik drink een paar biertjes in de stad, ik ga naar huis, zet de televisie aan. Picasso beschildert een glasplaat. Af en toe kijkt hij peinzend in de camera. Ik voel me ongemakkelijk.
Zie: met zo’n verhaal kun je niet aankomen. De lezer ziet een schrijver aan zijn tafel gniffelend een web van toevalligheden verzinnen. Daarmee is de fictieve droom verstoord. Aansteller, denkt de lezer. En toch denk ik dat iedere lezer dit soort coïncidenties ook heeft meegemaakt, ooit. Ik denk dat iedereen ze meemaakt. We praten er alleen niet over, we zeggen hoogstens ‘dat kan toch bijna geen toeval zijn!’
Gelovigen noemen het de hand van God. Dat schiet lekker op. Helaas geloof ik niet in God. Wel geloof ik dat er niets in de menselijke ervaring is dat niet kan worden verteld in een verhaal. Ik heb dan ook niets tegen de fantastische, de magisch-realistische of surrealistische aanpak, omdat die ervan uitgaat dat de innerlijke beleving van de werkelijkheid minstens zo werkelijk is als de uiterlijke, objectieve werkelijkheid. Ofwel: een vertegenwoordiger heeft het gevoel dat hij niets meer is dan een loonslaaf, een tor die steeds dezelfde bol stront tegen de heuvel op moet duwen, waarna hij daadwerkelijk in een insect verandert. Of, in een verhaal van Cortázar, een man die logeert in het luxe en geordende appartement van een vriendin die op reis is. Hij schrijft haar een brief waarin hij vertelt dat hij, tot zijn grote spijt, steeds konijntjes braakt. Langzamerhand breken die konijntjes het hele appartement af. Het zou een symbolisch verhaal kunnen zijn over een man niet in staat is voldoende controle over zijn leven te krijgen.
Ondanks zijn bekende verwaarlozing van kinderen en vrouw, ondanks het feit dat hij niets anders deed dan dat wat in zijn leven krom was recht te praten - wat ik aanvankelijk erg grappig vond - was ik onder de indruk van de manier waarop hij zijn leven vorm gaf.
Prachtige verhalen, prachtige symbolen. Maar toch helpen ze me niet in mijn zoektocht: hoe zonder symboliek, zonder opgelegde zin, het verhaal te schrijven over mijn vakantie met Isa en Rousseau. Misschien moet ik terugkeren naar Jungs definitie van synchroniciteit. Eerste deel van de definitie: ‘De gelijktijdigheid van een zekere psychische toestand met één of meer uiterlijke gebeurtenissen.’ Een zekere psychische toestand. Wat was mijn psychische toestand, daar in Genève, en in Frankrijk? Ik voelde me geen tor: ik had vakantie. Opgewonden las ik de Bekentenissen, ik vond het boek spannend, leerzaam, en vooral erg grappig. Ik ontleende er een motto aan: “Niets weten op bijna vijfentwintigjarige leeftijd en alles willen leren, dat betekent werkelijk dat men zijn tijd goed moet besteden.”
Leergierig, gretig, dat was ik ook. Bij vlagen was ik verliefd, en soms werd ik wat moe van het gekibbel met mijn geliefde. Eigenlijk was ik redelijk gelukkig, tot de reeks synchroniciteiten zich al had voorgedaan en op een camping mijn relatie stukliep. Tot zover een korte samenvatting van mijn psychische toestand. Zo beschreven was er niets aan de hand. Jammer, daar heb je in een verhaal niet veel aan.
Maar ik zie iets over het hoofd! De term synchroniciteit impliceert natuurlijk gelijktijdigheid, het gaat er hier om te achterhalen wat mijn psychische toestand was op het moment dat de eigenaardige Rousseau-gebeurtenissen plaatsvonden. Isa besloot naar Genève te rijden. Ik las over de kinderjaren van Rousseau in diezelfde stad. Zij wist dat niet. Ik dacht: dat is ook toevallig. Meer niet. Pas toen ze daarna besloot Chambéry te bezoeken dacht ik: is dit niet erg toevallig? Is zij telepathisch aan het meelezen?
Daar geloofde ik niets van. Telepathie is een spook. Dat bestaat niet. Al zou het wel een idee voor een fantastisch verhaal zijn, misschien. Een vrouw die de weg volgt die haar man in een roman leest. Of een vrouw die de weg volgt die haar man in zijn eigen roman beschreven heeft, zonder dat zij het weet.
Pas toen ik de straatnaam boven de bel zag staan kon ik er niet meer omheen. Dit kán geen toeval zijn, dacht ik. Op dat moment was ik door het boek bijzonder van de filosoof onder de indruk geraakt. Ondanks zijn bekende verwaarlozing van kinderen en vrouw, ondanks het feit dat hij niets anders deed dan dat wat in zijn leven krom was recht te praten - wat ik aanvankelijk erg grappig vond - was ik onder de indruk van de manier waarop hij zijn leven vorm gaf. Hij ging koppig zijn eigen weg. Dat wilde ik ook. Dat maakte me misschien ontvankelijk, en zorgde ervoor dat ik de synchroniciteiten niet rationeel terzijde schoof. Het leek alsof ik met dat bordje boven de bel in mijn gezicht geslagen werd.
In Jungs definitie gaat het om ‘uiterlijke gebeurtenissen die zich voordoen als zinvolle parallellen van de dan bestaande subjectieve toestand.’ Hij behandelt een patiënte. Zij vertelt over een droom waarin ze scarabeeën zag. Op het moment dat ze dat vertelt vliegt er een zeldzame scarabee-achtige kever tegen het raam van zijn praktijk. Een scarabee is volgens Jung een psychologisch archetype. Een scarabee betekent iets, ik weet niet wat, maar er ligt volgens Jung een zin in besloten. Rousseau is bij mijn weten geen archetype. Dat betekent niet dat er geen sprake hoeft te zijn van synchroniciteit, aangezien ook Jung zelf veel andere voorbeelden noemt die niet direkt op archetypen terug te voeren zijn. Het gaat erom dat het (ongeveer) gelijktijdig samenvallen van een innerlijke toestand en een uiterlijke gebeurtenis de persoon in kwestie het gevoel geeft dat er iets zinvols gebeurt. Dat het meer is dan toeval. Dat er een soort ordening is die tot dit resultaat heeft geleid, een boek en een bordje, een pas ontdekte passie voor een schilder en een vertwijfelde uitroep van een ober op de Oude Gracht.
Een vertwijfelde uitroep van een ober en de schilder op t.v. die met een glasplaat in de weer is.
Misschien dat het dan pas mogelijk zal zijn mijn belevenissen met Isa en Rousseau te beschrijven zoals ze werkelijk waren. Echt gebeurd zou wel eens heel interessant kunnen worden. Wie weet heeft ook Mulisch dan geen engelen meer nodig.
Het object dat de innerlijke en uiterlijke wereld op onwaarschijnlijke wijze verbindt kan een plumpudding zijn. Een anekdote die Flammarion in zijn verzameling waargebeurde onwaarschijnlijke toevallen heeft opgenomen gaat als volgt. Mijnheer Deschamps krijgt als jongen in Orléans een stukje plumpudding van een zekere mijnheer De Fontgibu. Tien jaar later ziet hij in een restaurant in Parijs weer een plumpudding. Daar wil hij een stuk van hebben. Men zegt hem dat die pudding al is besteld, door mijnheer De Fontgibu. Vele jaren later zit hij bij een vriend aan tafel, er wordt plumpudding opgediend. ‘Ach, was mijnheer De Fontgibu maar hier,’ zegt hij. Dan gaat de bel. Voor de deur staat mijnheer De Fontgibu. Hij is op zoek naar een ander adres en is verdwaald. Of men hem de weg kan wijzen. Ja ja, denkt de lezer weer, het zal wel. Zelfs ik denk dat. Wat maar weer eens bewijst hoezeer wij allemaal gehecht zijn aan een wereld die op Newtoniaans causale wijze geordend is. Maar wie weet of de plumpudding niet iets wilde zeggen? In deze tijd van de quantummechanica en snaartheorieën is het mogelijk dat op een dag het vermoeden van slimme mannen en vrouwen die zich daarmee bezig houden bevestigd wordt, het vermoeden dat er andere verbanden zijn dan oorzakelijke. Ordeningen op basis van principes die we nu nog niet kennen. ‘With the advent of quantum mechanics, we have come to realize that events cannot be predicted with complete accuracy but that there is always a degree of uncertainty,’ zei Stephen Hawking. De natuurkundige Edward Witten, die de quantummechanica met de algemene relativiteitstheorie probeert te verzoenen, gelooft niet in die onzekerheid. Alles valt te verklaren, we weten alleen nog niet hoe. Ooit zullen we de finale theorie ontdekken.
Misschien dat het dan pas mogelijk zal zijn mijn belevenissen met Isa en Rousseau te beschrijven zoals ze werkelijk waren. Echt gebeurd zou wel eens heel interessant kunnen worden. Wie weet heeft ook Mulisch dan geen engelen meer nodig.
Maar dat kan decennia duren. En al ben ik niet oud, ik ben de jongste niet meer. Ik zou graag dit jaar nog mijn verhaal schrijven. Isa, een Fiat, een boek, Genève, Chambéry, een straatnaambordje. Zo’n reeks doet me denken aan de schrijver Gombrówicz. Een opgehangen mus, een pijl op het plafond, een opgehangen stokje, twee monden. ‘Ik neem twee uitgangspunten, twee abnormale verschijnselen die ver van elkaar afstaan: a. een opgehangen mus; b. de associatie van de mond van Katasia met de mond van Lena. [...] Beide doordringen elkaar en breiden zich uit tot de totaliteit. [...] en dit duistere, onbegrijpelijke raadsel roept om een oplossing... zoekt een Idee die verklaart, die orde schept...’
Hij spreekt over het onstaan van zijn roman Kosmos, die hij ‘een roman over de vorming van de werkelijkheid’ noemde. Een soort detektive. In een detektive wil je niet alleen weten wie het gedaan heeft en hoe, maar ook waarom. Er moet een motief zijn. Een ordening. Om de chaos te bezweren. We willen niet leven in een wereld waarin mensen zonder een enkele begrijpelijke reden moorden begaan. Daarom verzinnen we een motief als er geen lijkt te zijn. Vaak doen we dat door middel van symboliek. Rond een wellicht vrij willekeurige kruisiging hebben we zo een heel wereldbeeld geconstrueerd.
Gombrowicz gebruikt geen bestaande symbolen. Hij neemt een paar beelden en gaat op zoek. Door middel van veronderstellingen, associaties, speurt hij naar innerlijke samenhang. Misschien moet ik Gombrowicz’ methode volgen als ik mijn verhaal probeer te schrijven. De zoektocht naar een absolute zin opgeven. Mijn eigen Idee die verklaart creëren: een boek waarin Rousseau door Genève wandelt, wij die door Genève wandelen, Chambéry, een blauw bordje.
Grunberg schreef dat een schrijver die worstelt met het probleem van de werkelijkheid in feite worstelt met een gebrek aan talent. Daarmee diskwalificeert hij schrijvers als Kafka, Gombrowicz en Borges.
Het is mogelijk dat ik, doordat ik alleen de meest frappante coïncidenties eruit licht, allerlei dingen over het hoofd zie die deel uitmaken van de niet-oorzakelijke logica van die vakantie: de worsten die we aten vlak voor we de Zwitserse grens passeerden, de rok met Javaanse motiefjes die Isa droeg, de dop van de benzinetank die we verloren omdat we hem na het tanken op het dak van de auto lieten liggen. En dan als een detektive op zoek naar het waarom van de gevoelde samenhang, het toeval niet willen uitleggen maar bevragen. De ondeugdelijkheid van het gezond verstand niet uitsluiten, zonder in versleten symboliek te vervallen. Of in een te voor de hand liggende keten van associaties.Want dat laatste gevaar ligt altijd op de loer. Een voorbeeld. Rousseau was de man die vond dat je alle culturele bagage, alle overgeleverde maatschappelijke conventies moest afleggen om je eigen natuur te kunnen volgen. Volgens hem moest iedereen onder alle omstandigheden zijn eigen meester zijn. En daar zat ik, in een Fiat Panda, ik liet mij rijden. Erger nog, ik liet mij rijden zonder te weten waarheen. Als ik Jung er weer bij haal kan ik zeggen: de zin van de parallellen tussen mijn psychische toestand (afhankelijkheid) en de uiterlijke gebeurtenissen ( de “ontmoetingen” met Rousseau) lag dáárin, dat ik mij bewust moest worden van die afhankelijkheid. Dat was dan ook precies wat er uiteindelijk gebeurde! Voilà, zou ik kunnen roepen, zie daar de kern van mijn verhaal. Dat zou ik kunnen doen. Maar dan denk ik weer aan Gombrowicz die schreef dat, gegeven dat we onze werelden construeren door middel van associatie, hij niet verrast zou zijn ‘wanneer er in het begin der tijden een willekeurige en terugkerende associatie was geweest die een richting vastlegde in de chaos en orde schiep. Er is iets in het bewustzijn dat het tot een valstrik maakt voor zichzelf.’
Om niet in die valstrik te lopen zal ik sceptisch moeten blijven. Niet zo sceptisch dat ik alle intuïtie uitsluit, het is een kleine stap van scepticisme naar bewustzijnsvernauwing. Maar in het geval van dit verhaal wil ik de werkelijkheid, wat die ook mag zijn, geen geweld aandoen. Grunberg schreef dat een schrijver die worstelt met het probleem van de werkelijkheid in feite worstelt met een gebrek aan talent. Daarmee diskwalificeert hij schrijvers als Kafka, Gombrowicz en Borges. En zichzelf. Iemand die niet worstelt met zijn begrip van de werkelijkheid heeft geen enkele reden om te schrijven. Ik zal dan ook stug doorgaan, blijven proberen om mijn mislukte verhaal nieuw leven in te blazen. Als het vandaag niet lukt, dan morgen. ‘Haast is uit den boze bij het schrijven,’ schreef Cortázar, ‘de schijnbare vergetelheid, de verstrooidheid, de dromen en het toeval weven onmerkbaar het toekomstige tapijt.’
Rustig aan dan maar. Misschien eerst eens een verhaaltje schrijven over de moeilijkheden van vrijen in een Fiat Panda.
Ivo Bonthuis
AUTEUR
Ivo Bonthuis (1976) schrijft proza. Hij publiceerde eerder verhalen in het Hollands Maandblad.